Geschiedenis

Coca

Cocaïne wordt gemaakt van cocabladeren. Deze cocabladeren groeien op een hoogte van 500 tot 2000 meter) in het Andesgebergte in Bolivia, Peru en Colombia. Cocabladeren worden al eeuwenlang geconsumeerd door inheemse volkeren in Zuid-Amerika. De consumptie van coca is een traditioneel gebruik, maar het heeft ook een stimulerende en geneeskrachtige werking. Coca werkt tegen hoogteziekte, onderdrukt honger- en dorstgevoelens en geeft energie. Door zijn spirituele en stimulerende waarde wordt door de inheemse bevolking de cocablad als heilig beschouwd.

Toen de Europese kolonisten Zuid-Amerika betraden en inheemse volkeren voor zich lieten werken, bleken cocabladeren een handig betaalmiddel. De conquistadores betaalden hun arbeiders uit met coca, zodat ze harder konden werken en langere uren konden maken, zonder dat de maag rijkelijk gevuld moest worden.

Cocaïne

Rond 1850 extraheerden wetenschappers cocaïne van coca. Dit nieuwe wondermiddel werd verwerkt in verschillende soorten medicatie. Ook werd cocaïne voorgeschreven aan verlegen kinderen. Eind 19e eeuw groeide de economie door globalisatie en industrialisatie. De hogere klassen, ook wel ‘breinwerkers’, moesten een manier vinden om om te kunnen met de hoge werkdruk. Cocaïne bood een uitweg. Ook softdrinks werden populair door coca: tot 1903 gebruikte Coca Cola coca als stimulans in cola.

Wanneer werd het illegaal?

Vanaf 1920 in de Verenigde Staten waarschuwden media en politiek voor de gevolgen van cocaïne: gezondheidsrisico’s,  verslavingen en een morele ondergang voor de samenleving. Er kwam steeds meer kritiek op het ongereguleerde beleid. Er werden maatregelen getroffen en de aandacht zakte. Maar in de jaren 60 kwam het onderwerp weer volop ter sprake toen Nixon de War on Drugs aankondigde. Verschillende bronnen beargumenteren dat de War on Drugs niet zozeer iets te maken heeft met  drugs zelf. In onderstaand filmpje zie je een uitleg over waarom bepaalde drugs illegaal zijn en andere drugs niet. Ethan Nadelmann legt uit dat dit een racistische grondslag heeft.

Tom Feiling legt in The Candy Machine uit dat president Nixon een tweede termijn als president wilde winnen. De jaren 60 waren onrustige tijden. De Vietnamoorlog, de hippiecultuur, de groeiende prominente aanwezigheid van de Civil Rights Movement zorgden voor veel politieke onrust en angst onder de witte middenklasse. Ook vreesden zij de drugscultuur. Er was behoefte aan veiligheid en president Nixon speelde hierop in door in 1971 de War on Drugs aan te kondigen. Met deze campagne kon hij zich profileren als crimefighter.

In 1961 werd tijdens de United Nations Single Convention on Narcotics and Drugs cocaïne en heroïne verboden. Dit hield ook in dat het kauwen op cocabladeren bestreden moest worden. Dat cocabladeren direct geassocieerd wordt met cocaïne is een Westers denkbeeld. Met dit verdrag wordt coca en cocaïne in hetzelfde kwade daglicht geplaatst. Transnational Institute vindt dat het verbieden van cocabladeren in strijd is met de UN Declarations on the Rights of Indigenous People. De culturele en historische waarde van cocabladeren wordt over één kam geschoren met recreatief gebruik. TNI pleit daarom voor een onderscheid in de wetgeving.