Racisme en beeldvorming

Politiekorpsen beargumenteren dat het staande houden van etnische minderheden gerechtvaardigd is, daar zij oververtegenwoordigd zouden zijn in de criminaliteit. Fairtrade Coke werpt zijn neus in etnisch profileren en de drugscriminaliteit en moedigt politiek, de politie en burgers met een andere bril naar drugshandel te kijken.

 

Het beeld bestaat dat etnische minderheden de drugshandel domineren. Media, en ook kwaliteitskranten, werpen de  populaire term ‘Mocro-maffia’ op, waarbij drugscriminaliteit in één term wordt verbonden aan de Nederlands-Marokkaanse gemeenschap. Dit is al tientallen jaren in de VS een probleem. Hoewel in de VS de witte bevolking vaker drugs gebruikt, hebben zwarte jongeren 10 keer zoveel meer kans gearresteerd te worden voor drugsovertredingen. Voor het bezit  van één gram crack, het goedkopere neefje van cocaïne en daarom populairder onder minderheden,  loop je 18 keer zoveel kans op een veroordeling dan bij 1 gram cocaïne. Cocaïne is duurder en daarom populairder onder de witte bevolking. Vóór de invoering van de Fair Sentencing Act in 2010 was de kans nog 200 keer groter. Het stigma op een bepaalde drug wordt dus niet bepaald door gezondheidsrisico’s, maar door wíe het gebruikt.

 

Paoli en Reuter deden onderzoek en in hun artikel ‘Drug trafficking and ethnic minorities’ geven zij interessante inzichten. Zij laten zien dat etnische minderheden niet actiever in drugshandel zijn dan witte mensen, en leggen uit dat de laatste groep onzichtbaarder is in de handelsketen. Welke groep in welke segmenten van drugshandel domineren, heeft te maken met stigma en sociaal netwerk.

 

In Nederland verdelen we cocaïne, heroïne en synthetische drugs onder harddrugs en cannabis en hennep als softdrugs.  Cocaïne, heroïne en cannabis zijn plantaardig, maar anders dan heroïne en cocaïne kan cannabis ook in eigen land worden geproduceerd. Voor handel in cocaïne en heroïne zijn dus connecties overzee nodig. Die connecties liggen op de doorvoerroute tussen de producerende landen in Zuid-Amerika en Azië en de consumerende landen in Europa. Het is begrijpelijk dat migranten uit die regio’s die connecties beter ontwikkeld hebben en daarom meer vertegenwoordigd zijn in deze segmenten van drugshandel.

 

Echter, de witte bevolking domineert de productie van softdrugs en synthetische drugs. Voor de productie van synthetische drugs zijn bepaalde technische vaardigheden en connecties nodig met de chemische industrie. De witte bevolking is beter bekend met het Westers intellectueel kapitaal en hun sociale kapitaal stelt hen beter in staat om in contact te komen met laboratoria. Daarom is deze markt voor hen toegankelijker. De drugslabs in Brabant bijvoorbeeld, kunnen erg strak en professioneel georganiseerd zijn. Men kan naast zijn middenklasse baan zo’n drugslab onderhouden. Door het gegeven dat het maken van synthetische drugs een innovatief vermogen vraagt, heerst hierdoor minder een stigma op de handel.

 

Cocaïne en heroïne zijn harddrugs, en anders dan MDMA of XTC is het imago van deze drugs agressiever en crimineler. Etnische minderheden hebben een grotere afstand tot de arbeidsmarkt dan de witte bevolking. Nergens in Europa hebben migranten in Nederland met een niet-Westerse achtergrond zo’n lage arbeidskans. 5,7% van de witte Nederlanders zijn werkloos, tegen 19,6% van de Marokkaanse- en 19,3% van de Antilliaanse Nederlanders. De mogelijkheid op werk in de legale sector is voor hen geringer. Dit geldt niet alleen voor nieuwe immigranten, maar ook voor migranten die al twee generaties in Nederland wonen. Veel van hen wonen in een slechte wijk met slechte woonkwaliteit. Er zijn minder goede voorbeelden van leerlingen die de middelbare school of het hoger onderwijs afmaken. Het is daarom niet verrassend dat de laagste en gevaarlijkste niveaus van drugshandel gedomineerd wordt door degene die kampen met minder mogelijkheden in de samenleving.

 

Een andere verklaring voor de onzichtbaarheid van witte mensen in drugshandel is het verschil tussen opereren in publieke en verborgen ruimten. Eerder werd al genoemd dat de witte bevolking de  heersende cultuur en sociale regels beter kent dan nieuwkomers met een niet-Westerse achtergrond.  De witte bevolking beheerst de taal en de sociale codes en het uiterlijke profiel om niet op te vallen. Ze komen in kroegen waar consumenten komen en kunnen dealen in privésferen. Hun sociale en culturele kapitaal stelt hen in staat in verborgen plekken te onderhandelen. Nieuwkomers echter, zullen meer in publieke sferen moeten optreden om hun drugs aan de man te brengen. De Wallen in Amsterdam bijvoorbeeld, vormt een goede afzetmarkt waar de zoekende drugstoerist en dito smokkelaar samenkomen.

 

Intersectionaliteit gaat over verschillende vormen van onderdrukking omtrent etniciteit, klasse, gender en seksualiteit en hoe bepaalde vormen elkaar versterken. Wordt het stigma, het beeld dat we van iets- een woonwijk, een café, of drugs- bepaald door de kwaliteit of door de personen die erin oververtegenwoordigd lijken?

 

Met dit artikel wil ik een ander beeld scheppen als het gaat om drugshandel. Dat als het gaat om drugscriminaliteit, nationaal en wereldwijd, niet alleen de smokkelaar verantwoordelijk is. De gebruiker betaalt dus houdt criminaliteit daarmee in stand.

Voor zowel gebruik als handel heeft de witte bevolking een luxepositie: het heeft meer kans op onzichtbaar handelen en hun gebruik wordt gezien als recreatief escapisme. Voor hen geldt het onschuldige stigma van een hedonist. Voor etnische minderheden is het een middel om een treetje hoger op de economische en sociale ladder te komen, maar worden helaas sneller geprofileerd als drugscrimineel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *